
DE ZIN VAN HET BEELD
samenvatting
De vraag naar de zin van het beeld is in de twintigste eeuw een
dringende geworden. Zowel binnen wetenschap en wijsbegeerte, met
name in fenomenologische kring, als binnen de beeldende kunsten is
bezorgdheid over de teloorgang van het beeld, van het zinvolle beeld,
te konstateren.
Tegelijkertijd worden we in het maatschappelijk en huiselijk leven gekonfronteerd
met een overdaad aan beelden: het beeld lijkt in en met en door de moderne media
alomtegenwoordig. Maar is dit alomtegenwoordige beeld een zinvol beeld, of vult
en verhult de overdaad juist de afwezigheid van een zinvol, en misschien zo pas
eigenlijk, beeld?
Daarmee stelt zich de vraag naar de zin van het beeld want: wat is dat dan een
'zinvol beeld'; welke is dan de zin van het beeld? En: hoe kan die vraag beantwoord
worden, hoe kunnen we een dergelijke bezinning voltrekken?
Hoewel de moderne, hedendaagse opvatting, met name binnen de beeldende kunsten,
in deze veelal aandringt op de 'autonomie' van het beeld, valt tegelijkertijd
vast te stellen dat juist ook binnen die beeldende kunsten het verhaal bij het
beeld, het kommentaar, het oordeel, kortom het woord over het beeld, tot een
hoofdzaak is geworden - en het eigenlijke beeld een illustratie.
Deze tegenstrijdigheid van een alomtegenwoordig beeld dat het woord verdringt
en het oordelende woord dat het beeld verdringt leidt tot een volgende vraag:
de vraag naar de verhouding tussen het woord en het beeld.
Op het gevaar af juist zo de zin van het beeld van begin af aan tekort te doen
beproeven ook wij hier als weg voor een bezinning op het beeld de vraag naar
het woord over het beeld: hoe luidt nu eigenlijk het woord over (de zin van)
het beeld, en wat kunnen we daaruit afleiden, en van daaruit zeggen, over de
verhouding tussen het woord en het beeld?
Daartoe richten we onze aandacht allereerst op enkele oorspronkelijke
bronnen voor het woord over het beeld: de eerste boeken uit de Bijbel
en de grotallegorie uit Plato's De Staat. Hier blijkt meteen al dat
de verhouding tussen woord en beeld van oudsher een problematische
is. Zowel bij Plato als in de Bijbel is het woord over het beeld
ook een woord tegen het beeld. Het beeld geldt als een duisternis
en als een afgod waarvan de mens zich, met het oog op de/het Goede
dient af te wenden.
Maar het beeld is juist als beeld van de/het Goede tegelijk ook de eerste stap
op weg naar die/dat Goede. Het beeld is dubbelzinnig - de zin van het beeld
is een dubbelzin.
En niet alleen als verschijning van God en afgod, Waarheid en onwaarheid, is
het beeld, volgens het w/Woord, dubbelzinnig. Ook de vraag naar de identiteit
van de/het uiteindelijk door het beeld verbeelde leidt het woord naar een dubbelzin:
waar in Plato's allegorie zelfs het duisterste schaduwbeeld nog (ook) beeld
van het Licht is, en ons (iets van) het Licht zelf doet kennen, lijkt de God
van de Bijbel zelfs in zijn beeld en gelijkenis onzichtbaar te blijven. Het
schaduwbeeld is de eerste verschijning van het licht, het Licht Zelf, in het
donker; het godsbeeld is slechts beeld van God. Het godsbeeld dient men te
eren, maar alleen God, God Zelf, mag men aanbidden.
Zo is het woord over (de zin van) het beeld dubbel dubbelzinnig en komen we
tot de volgende vraag: is het beeld als dat wat zichzelf is (mens, 'gesneden',
schaduw) en a/Anders (God, afgod, Licht, duister) nu dat a/Andere zelf of niet-zelf,
anders. Of is het beeld opnieuw dubbelzinnig: het a/Andere zelf en anders?
Anders gevraagd: is de representatie die het beeld is een daadwerkelijk, opnieuw,
present, aanwezig stellen van het gerepresenteerde, het gerepresenteerde zelf;
of is het slechts een representatie waarin het gerepresenteerde niet-zelf,
anders, verschijnt. En: is het woord in staat en gerechtigd om hier te oordelen.
Met deze vragen keren we ons naar de tijdruimte van
de westerse twintigste eeuw. Bezint het woord zich nog steeds op
het beeld en zijn dubbelzin? Wordt het beeld nog steeds bevraagd
op de ermee (mogelijk) gegeven presentie van het gerepresenteerde?
En is die presentie dan een aanwezigheid van het gerepresenteerde
zelf, identiek, of toch eerder de aanwezigheid van het gerepresenteerde
maar dan anders, different? Of is het beeld, de representatie,
een dubbelzinnige gelijktijdigheid van identiteit en differentie?
En nòg een dubbelzin dient
zich aan: is het beeld als beeld-van in subjektieve en objektieve
zin, beeld van een subjekt ('mijn beeld') en van een objekt, niet
nog eens dubbelzinnig?
Zo gesteld is het niet moeilijk te bepalen waar we een moderne hedendaagse
woord over het beeld zouden kunnen aantreffen: binnen de hedendaagse wijsbegeerte,
en dan met name binnen een van haar belangrijkste stromingen: de fenomenologie.
Als eerste stuiten we daar op de beeldtheorie die Emmanuel Lévinas ontvouwt
in zijn De werkelijkheid en haar schaduw. Maar binnen zijn leer heeft het beeld,
zonder overtuigende reden, zijn dubbelzin verloren - en met de dubbelzin iedere
vorm van representatie. Het beeld is voor hem eenduidig een eenduidig duister
niets - en als zodanig een eenduidig kwaad dat de Goedheid van de Werkelijke
ontkent. Maar is een beeld dat niet meer (re)presenteert, niets verbeeldt,
niets voorstelt, nog wel een beeld? Zo vragen we. En met welk recht komt het
woord van Lévinas tot deze aanklacht?
Lévinas baseert dit recht enerzijds op een verwijzing naar de Bijbel en Plato
- maar deze verwijzing is ook een afwijzing van de w/Waarheid die zowel Plato
als de Bijbel in het beeld ook aanwijzen.
Anderzijds baseert Lévinas zich op de fenomenologische traditie, en dan met
name op Jean-Paul Sartre die Lévinas' tekst in zijn Les temps modernes publiceert.
Zo richten ook wij ons dan vervolgens tot Sartre, die een filosofie bouwt op
zijn beeldtheorie. Maar net als Lévinas weet ook Sartre, in zijn twee boeken
over het beeld ( L'imagination en L'imaginaire), geen raad met de dubbelzin
van het beeld en offert die op aan een (meer dan Cartesiaans) verlangen naar
helder onderscheiden eenduidigheid. Al is die eenduidigheid dan, in tegenstelling
tot die van Lévinas, geen veroordeling maar juist een verheffing van het beeld:
het beeld is een eenduidige manifestatie van het menselijk vermogen tot 'nietiging',
'vrijheid' en 'schoonheid'. Want het 'Niets' dat in en met en door het beeld
verschijnt is voor Sartre een eenduidige aanwijzing voor een wezenlijke en
strukturele eigenschap van het bewustzijn: ontkenning, afstand, nietiging,
vrij te zijn van het absurde iets, het op-zich dat de wereld van de dingen
is. Bewustzijn is altijd (ook) verbeelding. Maar ook Sartre's woord ontbeert,
juist in zijn jacht op de helder onderscheiden rede, de redelijkheid. Ook zijn
woord is niet rechtmatig. Ook zijn woord over (de zin van) het beeld is, hoe
hoge rang het beeld bij hem ook krijgt, allereerst een ontkenning van (de dubbelzin
van) het beeld.
Sartre baseert zijn opvattingen, net als Lévinas, op die van Edmund Husserl.
Bij hem vindt hij een beslissend uitgangspunt voor zijn beeldtheorie. Maar,
opnieuw net als Lévinas, verschilt hij ook van mening met Husserl. Dit maakt
nieuwsgierig naar de opvattingen van deze grondlegger van de fenomenologie.
In zijn nagelaten werk wijdt Husserl vele bladzijden aan het beeld, de 'aanschouwelijke
(ver)tegenwoordiging'. Voor hem is het beeld geen kwaadaardige afkeer van de/het
Goede, en ook geen bevrijdende beleving van een schone schijn, maar een ingewikkelde
en moeilijk te doorgronden 'basisgestalte' ('Grundgestalt') van het bewustzijn,
die begrepen moet worden wil men ooit zicht krijgen op de logika, de rede van
het woord en het oordeel. Maar ook Husserls woord weet de dubbelzin niet te
aanvaarden, ook hij probeert vast te houden aan de nietigheid van het beeld
- en raakt juist daardoor verstrikt in de dubbelzin. Want uiteindelijk blijkt,
voor wie ogen heeft om te zien en oren om te horen, dat nietige beeld niet één
maar de basisgestalte van het bewustzijn. Het bewustzijn waarin de werkelijkheid
'oorspronkelijk gegeven' is: de waarneming, blijkt al een beeld te zijn. En
de overige beelden zijn 'reprodukties', beelden van (uiteindelijk) dit oorspronkelijke
beeld. Het beeld is een (gereproduceerde) waarneming - en de waarneming blijkt
een representatie van het waargenomene - waarbij het gerepresenteerde waargenomene
inderdaad tegelijk het waargenomene zelf en anders is. Zoals uiteindelijk heel
het bewustzijn, als bewustzijn-van, een (gereproduceerde) representatie is
van dat waarvan er bewustzijn is - en zo zichzelf en anders.
Met het bewustzijn is dan ondertussen en tenslotte ook het woord tot een dubbelzin
geworden: ook het woord is altijd zichzelf en anders - en ook het andere, het
verwoorde, is nog een keer het andere zelf en anders. In die zin is het woord
zelf een beeld - en aangezien het geen oorspronkelijk beeld is zelfs beeld
van een beeld. De problematische verhouding tussen woord en beeld is (ook)
de problematische verhouding van het woord tot zichzelf. En is dat niet ook
weer een manifestatie van dubbelzin?
Hoezeer Husserls woord deze gedachtegang echter ook bevestigt - ze veronderstelt
wel dat men ogen heeft om de dubbelzin te zien en te aanvaarden. En Husserl
lijkt, in tegenstelling tot Plato en de Bijbel, maar (zij het in mindere mate)
net als Lévinas en Sartre dit uitzicht, hoezeer het zich ook opdringt, te missen.
De reden voor dit gebrek, dat we dus zowel bij Lévinas als bij Sartre als bij
Husserl aantreffen komt niet, evenmin als het eigenlijke beeld, aan het woord.
Daarmee is en blijft de verhouding tussen het woord en het beeld, voor wat
het woord over het beeld betreft, vervuld van weer- en tegenzin. Een weer-
en tegenzin die, zo moeten we vervolgens konstateren, ook in de kommentaren
op de behandelde beeldtheorieën bewaard blijft: Jacques De Visscher, noch
PaoloVolonté, noch Maurice Merleau-Ponty weet reagerend op respektievelijk
Lévinas, Husserl en Sartre de zin van het beeld ter sprake te brengen.
Wat kan de reden voor deze weerzin zijn? Als we beseffen
wat het element is dat Lévinas, Husserl en Sartre hier verbindt
ontvangen we een aanwijzing. Bij alle drie stuiten we namelijk
op een zelf-ingenomen, diepgeworteld vertrouwen in het vermogen
van het menselijk woord tot het formuleren van een beslissende,
eenduidige, zelfs absolute waarheid. Het mensbeeld dat zich hieruit
laat afleiden kan beschouwd worden als een typisch beeld, namelijk
als een typisch modern beeld. Voor dit mensbeeld is de dubbelzin
zoals die zich in en met en door het beeld manifesteert begrijpelijkerwijs
een gruwel. Want met de eenduidigheid, met het klare en heldere
onderscheid, vernietigt dit dubbelzinnige beeld ook alle hoop en
alle aanspraak op een uiteindelijke, eenduidige, vaststelling van
het werkelijke en de waarheid. Een definitieve eenduidige identiteit
van het bewustzijn en dat waarvan er bewustzijn is is uitgesloten.
Het beeld is een relativering van elke vorm van modernisme, een
grens aan de tijdruimte van het moderne zoals we het hebben leren
kennen: de tijdruimte van de vrije zelfstandige, autonome mens
in en tegenover een in principe geheel te begrijpen wereld, een
te beheersen stof die door diezelfde mens in een proces van de
ontdekking en schepping van het steeds weer nieuwe verbeterde omgevormd
zal worden tot een aards-paradijselijke woonplaats.
Deze aanwijzing maakt tenslotte nieuwsgierig naar de opvattingen van die recente
stroming binnen de wijsbegeerte die beschouwd wordt als een 'postmodernisme'
voorbij de fenomenologie. Zou bij Jean-Francois Lyotard of Gilles Deleuze het
beeld, en de zin van het beeld, dan eindelijk aan het woord komen? Opnieuw
blijkt het antwoord ontkennend. Ook het 'postmodernisme' van Lyotard en Deleuze
blijkt nog al te modern - en niet alleen in de visie op het beeld. Ook hier
blijft het woord te zeer bevangen door de moderne onbescheiden- en zelfingenomenheid
om al oog te hebben voor het beeld en zijn dubbelzin. Ook hier tracht men de
grenzen die het beeld stelt aan het verlangen naar (al)macht en eenduidige
waarheid te negeren.
Maar daarmee is de stilte die het fenomenologische woord over het
beeld al kenmerkte tot een schreeuwende stilte geworden en kunnen
we de stelling van F.J.J. Buytendijk, zoals we die in de inleiding
aan de orde zagen komen, vooralsnog alleen maar onderschrijven: de
zin van het beeld is, in ieder geval binnen de westerse wijsbegeerte
van de twintigste eeuw, verloren gegaan. En er is reden om deze teloorgang,
die volgens Buytendijk nog gepaard ging met een 'heimwee naar beelden',
inderdaad als een toenemende te beschouwen. Binnen de oorspronkelijke
fenomenologie van Husserl laat dit 'heimwee' zich nog wel aanwijzen.
Zowel in de bescheidenheid die spreekt uit zijn benadering van het
beeld, een benadering die hem steeds weer brengt tot een her-denking
van het beeld, als in de belangrijke plaats die hij het beeld toewijst
als 'basisgestalte' van het bewustzijn en centraal element van de
fenomenologische methode ('eidetische variatie'). Binnen het kader
van een dergelijke fenomenologie maakt het beeld dan tenminste nog
enige kans om aan het woord te komen - en komt ook (even) aan het
woord. Van dit heimwee en deze bescheidenheid echter blijkt bij Husserls
navolgers en ook bij zijn kritici weinig meer: uiteindelijk verdwijnt
het beeld achter de moderniteit van (de aanspraken van) hun woord
over het beeld. Het woord over het beeld wordt tot een zelfingenomen
grootspraak, een moderne zelfverheffing die juist in het 'postmodernisme',
juist waar men het modernisme van de jas denkt te kloppen en de/het
a/Andere recht te doen, tot een hoogtepunt lijkt te komen. Daar is,
zo zagen we, het beeld (van de/het a/Andere) tot het andere geworden
- het andere dat niet zichzelf mag zijn.
Met deze zelfverheffing lijken we verder weg dan ooit van de geborgenheid,
de woonplaats, die ons ook weer volgens Buytendijk door het aansprekende
beeld verzekerd wordt. Maar van hem kunnen we ook leren dat de grens
die de dubbelzin van het beeld stelt aan de moderne jacht op het
nieuwe, nog meer verbeterde - de jacht op macht en sukses die een
aankomst, een thuiskomst, bij het gewone en de woon-plaats steeds
weer naar het hiernamaals van de toekomst verschuift - en zo eigenlijk
onmogelijk maakt - niet een nietiging, vernietiging, van alle hoop
op een vertrouwde woonplaats is. Integendeel. Hij laat zien hoe de
onmogelijkheid van absolute eenduidigheid, de noodgedwongen bescheidenheid,
een voedingsbodem zou kunnen zijn voor althans een relatieve geborgenheid.
Deze relativiteit, betrekkelijkheid, is dan de diepe zin die de dubbelzin
van ieder beeld, voor wie de aandacht ervoor opbrengt, kan hebben.
A.A. Beijk
Mook, winter 2002

|